Ik ben geboren op 18 oktober 1939 in een kleine plaats Thale am Harz in Oost-Duitsland. Toen ik werd geboren was de 2e wereldoorlog uitgebroken en wel op 1 september 1939.
Mijn ouders waren Rudi Paul Köhler, geboren te Thale, Duitsland, op 27 december 1919
En Erna Kohl geboren te Geislautern, Duitsland, op 5 augustus 1919.
Op 11 december 1940 kreeg ik er een broertje bij, Norbert Köhler geboren 11 december 1940 ook in Thale.
Daar er een oorlog was, moest mijn vader in Militaire dienst hij werd opgeroepen in oktober 1939 bij de 3e Kompanie Infanterie-Erzats Bataljon 194 met opkomstplaats: Quedlinburg.
Het laatste wat we van mijn Vader weten dat hij 10 maart 1945 werd gestuurd naar het Koerland (Rusland) en wel bij de 5e Kompanie Panzergrenadier-Regiment 103 van de 1e Kompanie 640 van de Infanteriedivisie Kurland bei de 18e Armee. Dit was het laatste wat wij van onze vader weten. Hier is hij vermist. Op 31 juli 1949 is hij via een gerechtelijke procedure voor dood verklaard.
Tijdens de oorlog hadden we het niet gemakkelijk, zoals miljoenen andere gezinnen over de gehele wereld. Begin 1945 kwam de oorlog bij ons in de straat, er braken heftige straatgevechten uit tussen Duitse en Amerikaanse soldaten. De Duitse soldaten trokken zich uit Thale terug en de Amerikanen bleven voorlopig. Ik kreeg hier mijn eerste sinaasappel. Daar ik niet wist wat dat was zette ik mijn tanden in de schil, dit smaakte zo vies dat ik hem gelijk weer weg gooide. Na een tijd moesten de Amerikanen zich terug trekken en werd het gebied door de Russische bezettingstroepen over genomen. Toen kregen wij op school ook les in de Russische taal. De Russen zijn tot 09 november 1989 in Oost-Duitsland gebleven.
Wanneer het was weet ik niet meer, er kwam een man in het leven van onze Moeder en van ons, dit was Wilhelm Theodoor Soute geboren in Amsterdam op 27 juli 1922. Ter aanvulling: Pa Soute werd vanuit Nederland naar Thale gestuurd voor de verplichte arbeid in Duitsland. Op 9 augustus 1947 kregen wij er een zusje bij, haar naam was Ellen.
En op 27 juli 1950 werd het huwelijk in Thale voltrokken en kregen wij weer een vader en Mama weer een echtgenoot.
Ik denk vlak hierna werden wij midden in de nacht wakker en stormden er mannen van de Russische Geheime Dienst de NKVD de slaapkamer binnen en namen onze vader mee. Na 10 angstige dagen werd hij weer vrij gelaten. Toen werden er plannen door onze ouders gesmeed om te vluchten naar het vrije Westen. Dit moest gebeuren onder een volkomen stilzwijgen. Norbert en ik mochten er op school en in de straat er niet over praten. Uiteraard werden we zo laat mogelijk geïnformeerd. Zodra ik alle gegevens heb zal ik onze vlucht beschrijven. Die vlucht was wat ik mij nog kan herinneren zeer angstig en emotioneel.
3 september 1950 Op die dag gingen wij om 06.00 uur met de trein uit Thale weg, richting Oisterwick.
Dit was het begin van een lange reis die als alles goed ging in Nederland zou eindigen. In Oisterwick aangekomen, hebben onze ouders eerst maar eens geïnformeerd hoe over de grens naar West-Duitsland te komen. Onderweg lopende naar een café, bepakt en gezakt, kwamen wij een Russische colonne tegen, mijn vader denk ik een beetje paniek en wierp en wandelstok, met allemaal kleine schilden erop, in de berm. Als of dit ons zou redden. Alleen de Russen reden door.
In een klein café bij de grens, kregen we contact met iemand die ons over de grens kon brengen, tegen betaling van een bepaald bedrag.
Deze persoon beschreef ons hoe we moesten lopen richting grens. Dit was allemaal ’s avonds laat en er kwam een flinke portie hemelwater naar beneden. De man vertrok en wij moesten 15 minuten later hem volgen.
Aan de grens kregen wij de schrik van ons leven, omdat de daar staande Grenswacht van de Volkspolizei, vroeg of wij het waren die wilden vluchten. De helper en de Grenswacht deden na de betaling de slagboom open en liepen wij in stromende regen in het donker in het niemandsland. Toen kwamen wij weer bij een slagboom en toen wij onze eerste stap op West-Duits grond gebied zetten hield het als door een wonder op met regenen. Het was of de natuur wilde zeggen: Je bent nu in de vrije wereld. Dit gebeuren is mij altijd bij gebleven. Na enkele honderd meter werd er een grote schijnwerper op ons gericht en werd er door ons gegild, wij werden gerustgesteld want het bleek West-Duitse grenspolitie te zijn. De enorme angst de regen en de stress viel als een blok van ons af. Deze grenswachten wezen ons de weg naar Vienenburg. Daar namen wij een Hotel om de rest van de nacht te kunnen slapen.
Na dat we goed hadden geslapen, liepen we richting station en namen de trein naar Hannover, waar het Nederlandse Consulaat gevestigd was. Het consulaat nam contact met het vluchtelingen ministerie die ons naar een vluchtelingenkamp in Uelzen verwees. Toen we hier aankwamen, werd ons medegedeeld, dat er hier voor ons geen plaats was en werden door gestuurd naar Giessen. Maar ook hier was geen plaats en moesten we naar Siegen. Het werd een eentonig verhaal, ook hier was er geen plaats voor ons. Onze ouders werden met drie kinderen door gestuurd naar Celle. Er werd een tussen stop gedaan in Bentheim en werd er geprobeerd om hier de grens over te komen naar Nederland. Voor we naar Celle zouden door reizen, gingen onze ouders weer naar het consulaat in Hannover.
De Consul was boos daar we nergens in bovengenoemde vluchtelingen kampen werden opgenomen en nam weer contact op met het Ministerie. Er werd er bij gezegd of ze konden regelen dat we die zelfde dag nog werden onder gebracht in een van de kampen. Er werd nu wel goed geluisterd naar de Consul en we moesten door reizen naar het vluchtelingenkamp Friedland. Al met al waren we bijna een maand onderweg voor we eindelijk een vaste plek hadden om bij te komen van alle ellende.
Vanuit hier moesten onze ouders zelf alles regelen. Voordat we naar Nederland mochten door reizen moest onze Vader werk en een woning hebben.
December 1950 reisde hij naar Amsterdam en met groot geluk had hij binnen een week een woning en werk. En kon hij met het goede nieuws terug reizen naar Friedland.
Op 3 januari 1951 was het dan zover dat we Friedland verlieten om op de trein naar Amsterdam te stappen.
We woonden een tijd in de Potgieterstraat voor we uiteindelijk een eigen woning bekwamen in de Bestevaerstraat. Norbert en ik gingen op naar de lagere school St.Bavo in de Bilderdijkstraat. In 1955 kregen we een zusje Marijke erbij. En in 1957 kwam er nog een zusje, dit was Ingrid.
Na een paar maanden kregen mijn ouders een brief uit Thale, we waren net weg of de Russische Geheime Politie deed weer een inval op ons oude adres, gelukkig waren we weg.
Bron: Dietmar Kolher
Dank je wel dat je mijn verhaal op de site van de fam. Storm hebt geplaatst.
Emmeloord, 30 augustus 20210